| Regie: | John Huston |
|---|---|
| Cast: | Clark Gable, Marilyn Monroe, Montgomery Clift, Thelma Ritter, Eli Wallach, James Barton, Kevin McCarthy |
| Genre(s): | Drama, Romantiek, Komedie, Western |
Nog niet zo lang geleden draaide er in de bioscoop een film waarvan de schrijver in alle toonaarden werd bejubeld- en die lof was terecht, want ik spreek hier over een getalenteerd en intelligent auteur. In de bewuste film bouwde hij zijn personages met zorg en liefde op, zodat het publiek oprecht om ze ging geven, maar uiteindelijk liet hij die prachtige karakters compleet in de steek tijdens een spectaculair geforceerde finale. Meneer de schrijver had ook nog het lef om het Hollywood-systeem de schuld te geven van zijn writer’s block, aangezien zijn finale een parodie was op de standaard-eindes van de studio-films. De redenering hierachter was kennelijk: alleen door genre-cliché’s te ironiseren kun je die cliché’s de baas zijn. Allemaal heel snugger, maar op die manier pleegde de schrijver wel verraad aan zijn personages, zijn publiek en zijn eigen talent, alleen maar om te voorkomen dat hij banaal zou worden.
Als je wat anders zoekt dan een postmoderne scenario-abortus van Charlie Kaufman (want over hem heb ik het, lieve lezer), draait er nu een prachtige print van John Huston’s The Misfits (VS, 1961) in het Filmmuseum, in het kader van het retrospectief ’100 Jaar Western’;. Een bezoek aan deze film is als een vakantie naar een rustig eiland, waar wijsheid prevaleert boven slimmigheid. Het is een rechttoe rechtaan verhaal dat rechttoe rechtaan wordt verteld, door een regisseur die liever banaal was dan onoprecht.
Niet dat The Misfits nu zo archaïsch is: de film werd geschreven door niemand minder dan Arthur Miller (‘Death of a Salesman’), als een ‘verantwoord’ ster-vehikel voor zijn vrouw Marilyn Monroe. Met zijn scenario sloeg hij in thematisch opzicht een brug tussen Hemingway en Sartre (niet toevallig allebei vrienden van Huston), en in film-specifiek opzicht tussen de klassieke en de post-klassieke Western. John Huston was in alle opzichten de perfecte keus voor de regie; hij verstond de kunst van de adaptation, maar hij vertikte het om een gezichtsloze metteur-en-scène te worden. Daarvoor was hij te eigenzinnig en te temperamentvol.
The Misfits volgt Huston’s favoriete verhaal-model: de doelloze queeste. De film begint in Reno, Nevada, waar de gedesillusioneerde, pas gescheiden Roslyn Taber (Monroe) wordt nagejaagd door de weduwnaar Guido (Eli Wallach). Hij brengt haar in contact zijn vrienden, de cowboys Gay Langland (Clark Gable) en Perce Howland (Montgomery Clift). Gay is een oude rot in het vak, die zijn gezin uit het oog is verloren en hoofdschuddend toekijkt hoe alles om hem heen verandert, terwijl Perce een heethoofdige jonge rodeo-ster is, die het macho-spel meespeelt, maar eigenlijk alleen maar menselijk contact verlangt. Al snel wordt Roslyn door alledrie de mannen begeerd, en dit leidt tot spanningen als ze hen vergezelt bij een jacht op wilde Mustang-paarden; deze dieren worden ‘misfits’; genoemd, omdat ze te klein zijn om op te rijden, en ze worden daarom enkel gebruikt om hondenbrokken van te draaien. Zoals geen enkele kijker zal ontgaan, zijn het natuurlijk de cowboys zelf die de titulaire misfits zijn, omdat deze ruwe bolsters in het geïndustrialiseerde Westen overbodig zijn geworden.
Roslyn lijkt aanvankelijk het gestereotypeerde irrationele element in de film: in een dronken bui danst ze sensueel met een boom, waardoor ze nogal cru wordt neergezet als een natuurkind dat haar wortels vindt. Vanuit haar betrokkenheid en principiële dierenliefde stelt zij kritische vragen aan de mannen. Roslyn wil weten waarom zij doen wat ze doen, ook al is hun werk wreed en futiel: ze krijgt steevast het stoïcijnse antwoord dat alles beter is dan werken in vaste loondienst. Op de prairie hebben de mannen het idee dat ze vrij en ongebonden zijn, ze komen er tot leven in een ritueel gevecht met de natuur; in de grote stad, waar cynisme en echtbreuk hand in hand gaan, en waar mannen en vrouwen elkaar niet meer respecteren, voelen ze zich niet thuis. Uiteindelijk is het de vraag wie er nu irrationeel zijn: de mannen die koppig hun overbodig geworden métier blijven uitoefenen, of de vrouw die zo sensitief is dat het bijna bedreigend is voor haar gezondheid.
The Misfits is rijk aan allegorieën, maar kraakt soms onder het gewicht van Miller’s literaire dialogen. Hier biedt Huston’s geïnspireerde mise-en-scène redding: de grote open ruimte herinnert aan de klassieke Western, maar weerspiegelt ook de innerlijke leegheid van de personages. Huston’s regie brengt naar voren dat de spatiale relaties meer zeggingskracht hebben dan de woorden. Wat we hier zien is de zuivere eenvoud en schoonheid van ‘het shot’, zoals bij een close-up van een hond die onraad ruikt. Huston weet dat film meer een zintuiglijke dan een intellectuele ervaring is: de rodeo-scènes en het lange jacht-segment maken het ‘mannenwereldje’ invoelbaar door hun meeslepende en verleidelijke montage.
De acteurs vormen een even eclectisch als aantrekkelijk groepje, dat wijd uiteenlopende acteer-methodes in zich verenigt. Tekenend hiervoor is het shot waarin Gable en Clift dronken te zien zijn: Gable zet een karikaturale ‘toneel-dronkaard’; neer, met dubbele tong en onvaste pas, terwijl Clift een naturelle zatlap verbeeldt, die probeert om zijn dronkenschap met bestudeerde gebaren te camoufleren.
De sleutelrol van Monroe is inmiddels tot cult-proporties opgeblazen. De voluptueuze ster doet wanhopige pogingen tot Method-acteren: ze spreekt al haar teksten uit alsof ze buiten adem is, en trakteert het publiek op een assortiment aan nerveuze tics, waardoor de fetisjistische shots van haar boezem en achterwerk terug lijken te grijpen op een minder gecompliceerde fase van haar sterrendom. Maar ze heeft ook in deze rol ontegenzeglijk screen presence, en je kan merken dat het Miller’s opzet was om de zorgzaamheid en het medeleven achter het domme blondje aan te tonen; dit is dan ook het beeld wat van haar achterblijft.
Gable had net als Monroe een strak afgebakende ster-persona, en ook dit populaire imago (de romantische, zelfverzekerde held met een kop die in Mount Rushmore gehouwen kon zijn) wordt gedeconstrueerd: hij acteert nog steeds voor een groot deel vanuit zijn flegma, maar hij heeft enkele onbewaakte momenten waarop hij wat rauwere emoties aan de dag legt. Deze momenten zijn naar huidige maatstaven misschien niet overtuigend gespeeld, maar binnen de context van de film maken ze grote indruk.
Clift levert de beste acteerprestatie van de film als de defaitistische Perce; hoewel het een vrij dunne rol is, gaat hij er volkomen mee aan de haal. Deze briljante, betrekkelijk vergeten acteur had Brando kunnen evenaren (hij had misschien wel meer recht kunnen doen aan de rol van Kurtz in Apocalypse Now), ware het niet dat hij zichzelf ten gronde richtte na een auto-ongeluk dat zijn knappe gezicht verminkte. Zijn open, geschonden gelaat gaf hem meer ruimte om zijn interne wonden te tonen. Na afloop van de film zijn je gedachten bij Perce, en je weet dat het onvermijdelijk is dat hij nog meer gekwetst gaat worden: een onthecht moederskindje als hij behoort tot het mantype dat krankzinnig wordt. Wanneer hij zijn hoofd te ruste legt in de schoot van Monroe, terwijl hij met vragende ogen naar haar opkijkt en vertelt over zijn ‘thuis’, zie je de directe voorloper van existentialistische anti-helden als Jack Nicholson, Warren Beatty en Robert De Niro.
De film ontleent een groot deel van zijn mythologische status aan het feit dat de leading cast binnen vijf jaar tijd compleet was uitgestorven. Gable overleed een paar dagen na het eind van de opnamen aan een hartaanval (volgens de anekdotes vanwege het intensieve stuntwerk), Monroe stierf twee jaar onder mysterieuze omstandigheden, en Clift werd uiteindelijk in 1966 geveld door een hartinfarct. Achteraf versterkt dit het gevoel van het ‘einde van een era’, maar de film luidde ook een nieuwe era in. Zoals The Misfits de jaren zestig opende, zo sloot ‘hippie-Western’ Easy Rider het decennium af, mediterend over precies dezelfde thema’s van vrijheid en het verloren pioniersideaal. Alleen hadden de anti-helden nu hun lasso en whiskey-fles verruild voor kralen en LSD-pillen, werd de generatiekloof verheven tot een burgeroorlog, en werd de absurditeit aangezet met behulp van psychedelica.
In tegenstelling tot zijn sterren zou Huston de jaren zestig trouwens wel overleven: hij daverde nog een kwart eeuw door, breidde zijn cv uit met nog eens twintig films (waarvan er slechts één tot het Western-genre behoorde) en blies in 1987 op 81-jarige leeftijd zijn laatste adem uit.

















