Opnieuw barst het applaus los. Het is anders dan het applaus dat ik van andere festivals gewend ben. Wanneer een mens begint te applaudisseren, voelt hij of zij wanneer het gepast is om te stoppen. Het publiek van de openingsavond van het Movies That Matter-filmfestival 2010 passeert dat moment keer op keer. De mensen die hier in de spotlights staan te vertellen, verdienen dat applaus namelijk echt.
Het zijn de mensen die vanuit de verstikkende samenlevingen van landen als Cambodja en Iran vechten voor de rechten die wij Nederlanders als vanzelfsprekend ervaren. Het zijn de door principes gedreven mensen die hier, in ons land, zich inspannen om die mensen daar hun leven naar eigen inzicht te laten leven. ‘As long as there is injustice in the world, there will also be Amnesty.’
Het is een opvallend zachte donderdagavond in het altijd bijster ongezellige Den Haag, de stad die dit jaar voor de tweede keer gastheer speelt voor het Movies That Matter-filmfestival. Deze ‘city of peace and justice’ is inderdaad het juiste platform voor open discussies over de status van mensenrechten door de hele wereld. Festivaldirecteur Taco Ruighaver geeft in zijn openingspraatje een kort overzicht van wat het festival dit jaar te bieden heeft. Het programma leidt de geëngageerde toeschouwer van de bordelen van Cambodja, via de dagelijkse horror van de Gazastrook, tot de homofobie in hedendaags Italië. Een selectie die bij voorbaat al aangeeft dat mensenrechtenschending helaas nooit een ver-van-mijn-bedshow is.
Presentator Menno Bentveld neemt stijlvol het stokje over van Ruighaver om een bijzondere gast welkom te heten: Somaly Mam, een Cambodjaanse vrouw die werkelijk alle vormen van seksuele uitbuiting en misbruik heeft moeten meemaken tijdens haar nog niet al te lange leven. Inmiddels heeft zij zich omhoog geknokt tot één van Time Magazine’s honderd meest invloedrijke mensen van de wereld, en reist zij, met gevaar voor eigen leven, de wereld door om aandacht te vragen voor de vrouwenproblematiek in Zuidoost-Azië.
Haar Engels is gebroken, binnensmonds, grammaticaal incorrect. Maar daar draait het niet om. De vrouw staat stralend op het toneel, maar de pijn die zij heeft moeten doorstaan, is nog altijd zichtbaar in haar ogen. Het publiek hapt even naar adem als Somaly Mam uiterst kalmpjes vertelt dat ze eigenlijk niet eens weet hoe oud ze precies is. En hoewel mensen haar Somaly noemen, weet ze haar echte naam ook niet.
De betrokkenheid van het festival laat zich ook de rest van de avond duidelijk uitspreken. Naast de genoemde sprekers zorgt ook een muzikaal optreden van een Iraanse undergroundmuzikant voor een bijzonder inkijkje in de schitterende kunst die zelfs in de wurggreep van sommige culturen kan ontstaan. Deze talentvolle gitarist is ook een van de muzikanten die voorbij komen in de openingsfilm, No One Knows About Persian Cats, van de Koerdisch-Iraanse filmmaker Bahman Ghobadi (Turtles Can Fly).
De film draait om de jongeren die in de strikte, naar islamitische principes gereguleerde samenleving van Teheran een ondergrondse muziekcultuur in leven proberen te houden. Westers georiënteerde pop- en rockmuziek is namelijk ten strengste verboden in Iran – net als de aanwezigheid van huisdieren op straat, vandaar de titel. Vanwege dit onderwerp heeft ook Ghobadi deze film in het geheim moeten maken, zonder toestemming van de overheid, zonder materiaal van de overheid.
Regisseur Ghobadi wil veel met het publiek delen voor zijn film begint – dit tot wanhoop van zijn charmante tolk, die geregeld Ghobadi’s antwoorden inkort en op een gegeven moment verzucht: ‘Well, he does speak English perfectly…’ Ghobadi’s woorden zijn echter niet nodig; zijn film bezit namelijk de ijzersterke kwaliteit om een westers publiek volledig geabsorbeerd te laten worden door de creativiteit van een niet-westerse samenleving. Sterker nog: de muziek die veelvuldig in deze film langskomt, zorgde ervoor dat ondergetekende meer dan eens zat mee te wippen op zijn stoel.
Minus de politieke agenda van de film lijkt het haast een Iraanse versie van de Schotse hitfilm Once (2006), waarin muzikanten Glen Hansard en Marketá Irglová (nu bekend als The Swell Season) op soortgelijke wijze met minimale middelen hun muziek probeerden te maken. No One Knows About Persian Cats werkt als bitterzoete coming-of-age-film, als nostalgisch portret van de kleine luchtgaten in een orthodoxe maatschappij. Naar het einde toe wordt de film op minder geslaagde wijze nogal beladen, maar de boodschap is duidelijk: er ontstaat veel moois onder de loodzware deken van de Iraanse overheid.
Het applaus voor Ghobadi is opnieuw van een geëngageerde en geëmotioneerde kwaliteit. Meerdere mensen kunnen niet langer vastgeplakt blijven aan hun stoelen, en staande miniovaties ontstaan verspreid over de zaal. Ik weet dat de meeste mensen niet zo reageren vanwege de kwaliteit van de film. Het was een mooie film, toegegeven, maar ook wat episodisch in zijn structuur en soms wat langdradig.
Om dat soort waarden en oordelen draait het niet bij het Movies That Matter-filmfestival. Wat telt is wat Ghobadi heeft gedaan met deze film. Hij heeft een stukje van Iran opengetrokken voor de rest van de wereld. Het gevolg: zijn vrijheid in Iran is hij nagenoeg kwijt. Als pleister op de wonde reikt het festival hem een oeuvreprijs uit. Ook dat zijn louter decoraties voor wat Ghobadi, en alle andere filmmakers op dit festival en door de hele wereld, hebben gedaan en blijven doen: de wereld bewust maken van het bestaan van Perzische katten.

















