| Regie: | Frederick Wiseman |
|---|---|
| Cast: |
Frederick Wiseman, die zijn eerste film Titicut Folliest in 1967maakte, is een van de grootste documentairemakers van de afgelopen decennia. De eerste vijftien jaar van zijn carrière filmde hij in zwart-wit en pas in 1983 ging Wiseman voor het eerst in kleur filmen bij het opnemen van The Store. Om zijn tachtigste verjaardag in stijl te vieren programmeerde IDFA het afgelopen jaar een retrospectief van zijn werk. Hierbij was ook zijn laatste film La Danse – Le Ballet de l’Opera de Paris (2009) te zien, die genomineerd is voor de César Awards van 2010 in de categorie Beste Documentaire Film. De talloze onderscheidingen voor het werk van Wiseman maken nieuwsgierig naar zijn films, die allemaal op hun eigen manier een tijdperk neerzetten en toch tijdloos blijven in thematiek.
Wisemans karakteristieke oeuvre bestaat uit films die de structuur van (veelal Amerikaanse) instituties in elk opzicht willen omvatten: een ziekenhuis, de politie, een rechtszaal, een legerbasis, een middelbare school, een dansacademie. De filmmaker is nieuwsgierig naar de instanties die zijn opgezet door de mens als onderdeel van een cultuur die bestaat uit conventies en regels.
De instituten werken als een vergrootglas van de samenleving en zijn daarom extra interessant wat betreft de menselijke relaties die onderdeel zijn van deze samenleving. Door de alledaagse praktijken in de instituten te filmen, zonder gebruik te maken van commentaar of interviews met betrokkenen, laat Wiseman zien hoe ongewoon gewone handelingen en gesprekken zijn. De cultuur en de regels zijn slechts vernis: zijn aanpak legt de impliciet geaccepteerde en ongeaccepteerde handelswijze en het conformisme van de mens bloot.
Wat Wiseman filmt lijkt bijna een objectief gegeven, alsof hij zelf elke keer met zijn neus in de boter valt en enkel zijn camera hoeft te laten draaien. Hij weet in zijn documentaires de illusie te scheppen dat niets gepland is, maar zijn stijl van filmen houdt meer in dan enkel de camera vasthouden. In zijn talloze interviews geeft hij aan voorafgaand aan het filmen geen idee te hebben wat hij met de documentaire zou willen benadrukken, als hij dat al zou willen. Tijdens het redigeren van de film bedenkt hij ter plekke wat moet blijven en wat er nog bij moet. Pas dan ziet hij zelf de achterliggende thema’s:
I pick out what’s going to be shot, and I try to be very conscious in the shooting about what I’ll need in the editing. When I sit in the editing room tearing out my hair because I don’t have a shot, I tend to remember to get that kind of shot the next time. And I try to change camera positions frequently. Also, when we are not shooting, I’m the one who does all the talking to the people, to find out what’s going on. Otherwise, it’s too confusing. (Gerard Peary, 1998)
Het tussentijds redigeren van zijn werk maakt het, hoe realistisch ook, uiteraard nooit volledig objectief of vrij van intentie. Maar door de verschillende facetten van het dansinstituut weer te geven, krijgt de kijker zelf genoeg kans zich een beeld te vormen. Het weglaten van een duidelijk impliciet of expliciet oordeel, en door de ‘personages’ te laten begaan, schraapt Wiseman het laagje vernis van het conformisme af zonder dat de gefilmden het doorhebben.
Ook in La Danse komt Wiseman nergens in beeld, er wordt niet tegen hem gesproken en het lijkt alsof de camera er niet is. In zijn laatste documentaire volgt Wiseman het ballet van de Opera in Parijs terwijl er geoefend wordt voor meerdere voorstellingen. Door de stilstaande composities en lange shots lijkt de documentaire alles behalve artificieel. Hiernaast is het intrigerend dat geen enkele keer iemand van de dansers en de trainers de camera inkijkt. De kijker beweegt onzichtbaar mee en ziet het proces van oefening tot eindproduct. Enkel wanneer de enige Amerikaan in de film tijdens een vergadering om de zoveel seconden een blik in de camera werpt, krijg je het gevoel betrapt te worden op voyeurisme.
Ondanks dat het willekeurig gefilmd lijkt, lopen er meerdere thema’s en contrasten door de film heen. De balletgroep zelf wordt in structuur gekenmerkt door een traditionele hiërarchie. Vanzelfsprekend dansen de topdansers de meeste en de grootste rollen en daarnaast zijn er tientallen dansers die een minder duidelijk hebben. Maar het gaat niet alleen om het vastleggen van het ballet. Juist omdat Wiseman de dansers via hun dans en oefening laat spreken, wordt er een beeld geschapen van wat het Parijse ballet – het meest pretentieuze ter wereld – en de opleiding inhouden. De dansers moeten ‘half non, half bokser’ zijn, ze moeten toegewijd zijn en zo sterk als een paard. Ze zijn zowel de bestuurder als het voertuig van hun eigen lichaam.
Naast deze interne hiërarchie zet Wiseman de fysieke en mentale krachtmetingen van de ploeg in schril contrast met de praktische realiteit achter de schermen. Na een betoverend shot van een minutieus uitgevoerd dansspel plakt Wiseman een scène waarin schilders de afbladderende muren van het gebouw aan het witten zijn. Mensen die normaal onzichtbaar blijven in het grote bedrijf van het ballet worden door hem zichtbaar gemaakt: trappenhuizen, de lichtval op de dansvloer, de kantine, de kostuummakers, alles wordt in een perfecte compositie gekoppeld aan de kunst van het ballet.
Wiseman is niet geïnteresseerd in de didactische functie van de camera en het vaak overheersende Amerikaanse moralisme. Het is fijn dat hij ons niet om de oren wil slaan met zijn verkapte mening, waar de jongere en Britse documentairemaker David Modell een handje van heeft. Wiseman legt voornamelijk een tijd vast, een institutie als onderdeel van de moderne maatschappij. Bovenal heeft hij een onverzadigbare nieuwsgierigheid naar de werking van de maatschappij.
Toch zijn al zijn documentaires over het algemeen vrij lang, met uitgerekte scènes waarbij de aandacht wat verslapt. Ondanks dat Wisemans films tijdloos blijven in thematiek brengt zijn weigering zich te conformeren aan een moderne opzet wat langdradigheid met zich mee. Aan de andere kant blijft hij door deze weigering dicht bij wat hij wil laten zien: hoe het is. Wellicht zijn wij als modern publiek niet meer gewend een film te kijken die enkel portretteert en die hetzelfde tempo heeft als het dagelijks leven. Het kenmerkt immers een groot filmer om een eigen stijl te behouden, onzichtbaar te blijven, en om op de subjectieve compositie toch een authentieke stempel te drukken.





















