Het is dinsdagavond twee november, tien over half acht. Nog geen twaalf uur geleden werd cineast Theo van Gogh beschoten, neergestoken en vermoord. De NOS toont reconstructie na reconstructie, net zolang tot iedereen het groezelige plattegrondje van Amsterdam Oost ook met gesloten ogen kan uittekenen. Ter afwisseling worden vrienden, bekenden, collegae en andere BN’ers met een al dan niet duidelijke connectie naar Theo om een ‘eerste reactie’, lees: een Aangrijpende dóch quotebare uitspraak gevraagd. Een “aanslagen” Roeland Fernhout, een “nog natrillende” Ronald Giphart, een woedende Theodor Holman. Op hun eigen manier zeggen ze allemaal hetzelfde: Theo van Gogh was een bijzonder mens en zijn moord vormt een smet op het tolerante imago van Nederland. Daarbij benadrukken velen dat Theo, anders dan zijn provocerende uitlatingen misschien deden vermoeden, een opmerkelijk zachtaardige persoonlijkheid bezat. “Aan de ene kant was hij een grizzlybeer. Een echte aanvaller. Aan de andere kant ook een zachte teddybeer”, verwoordt Albert Verlinde het in welgemeend Boulevard-jargon.
Ik kan het beamen. De reden dat de XI-redactie juist mij vroeg deze geïmproviseerde ‘In Memoriam’ te schrijven, is namelijk dat ik Theo van Gogh anderhalf jaar geleden nog voor dit blad heb geïnterviewd. Hysterisch zenuwachtig betrad ik destijds het café van Hotel Americain, alwaar Theo al een half uur op mij zat te wachten. Zijn vragende blik op de klok beantwoordde ik met een desperate schouderophaling, en hiermee was de penibele te-laat-kom-kwestie gelukkig afgedaan. In plaats van kettingrokend en geïrriteerd stond van Gogh mij buitengewoon vriendelijk en welwillend te woord. Hij voorschafte me zelfs van een enkele wijze levensles. “Meisjes zoals jullie die een onzinstudie volgen; dat is voortreffelijk want je moet gewoon genieten van je leven en zoveel mogelijk een excuus hebben om niets te hoeven doen en om zeker tot je dertigste met onzin bezig te zijn. Máár meisjes: zorg toch voor een miljonair die voor jullie zorgt, dan komt alles verder in orde..” adviseerde van Gogh toen hij hoorde dat ik Televisiewetenschappen studeerde. Het is een credo waar ik nog steeds naar leef. Daarnaast vertelde hij opvallend bevlogen en aanstekelijk over zijn nieuwe film Interview .
Met alle medianadruk op Theo’s aanstootgevende columns en het al dan niet teloorgaan van De Vrijheid Van Meningsuiting, zou men namelijk bijna vergeten dat Nederland met de dood van van Gogh een zeer inventieve filmmaker heeft verloren. Met zijn in 1982 uitgebrachte regiedebuut Luger, waarin een vrouw een pistool in haar vagina geduwd krijgt, zette Theo van Gogh de toon voor de rest van zijn soms provocerende oeuvre. Het waren echter niet de expliciete seksscènes die Theo’s filmische signatuur bepaalde. “Het enige wat belangrijk is voor mijn films, en ik heb er langzamerhand een hoop gemaakt, is het eeuwige gevecht tussen mannen en vrouwen. Het aantrekken en afstoten, aantrekken en weer afstoten. Een andere obsessie, die ik deel met Theodor Holman, is dat iedereen liegt tegen elkaar. Wijzelf voorop natuurlijk! Maar wat je in die films van mij vooral heel erg ziet is dat mensen elkaar voortdurend lopen te naaien” antwoordde Theo toen ik hem hiernaar vroeg.
Deze steeds terugkerende stokpaardjes waren niet het enige dat Theo van Gogh tot één van de weinige Nederlandse ‘Auteurs’-cineasten maakte. In de afgelopen jaren ontwikkelde de filmmaker namelijk een geheel eigen werkwijze, waardoor hij met recht de productiefste regisseur van Nederland genoemd kon worden. Poldermodellerig gesteggel omtrent financiering zette Theo van Gogh ertoe aan zijn films voortaan met een eigen budget te financieren. Door uitsluitend met digitale camera’s te draaien bleven zowel kosten als draaidagen beperkt en kon Theo zijn aandacht vestigen op het voor hem belangrijkste aspect van zijn producties: de acteurs. Met zijn vaste roedel BN’ers regisseerde hij op deze manier aan de lopende band films én televisieseries. Zijn recentste films Interview, Cool! en 0605, de bekroonde TV-serie Najib & Julia en het nog niet uitgezonden MEDEA worden allemaal gekenmerkt door de prominente aanwezigheid van Thijs Römer, Johnny de Mol, Tara Elders en/of Katja Schuurman. Met deze laatste twee dames werkte Theo van Gogh alweer aan een nieuwe film. Het moest een “lesbische roadmovie” worden, naar een scenario van Ronald Giphart. Anderhalf jaar geleden besloot ik mijn interview dan ook met een bescheiden oproep aan de XI-lezers. Ik schreef: “Tenslotte nog een tip van mezelf, aan iedereen die “een lesbische roadmovie met Katja Schuurman en Tara Elders” wil zien -en hiermee spreek ik volgens mij tot een groot deel der natie-: koers allen naar Interview om Theo’s kas te spekken!”
Nu zijn we allemaal voor niets gekoerst.
















