Laat mij even voorop stellen: ik heb een goede relatie met mijn moeder. Ik vind haar de beste moeder van de wereld, en zij vindt mij – het moge vanzelf spreken – een ongeëvenaarde zoon. Toch heb ik vandaag een oprecht, vaak tevens sardonisch genoegen beleefd aan de consequenties van scheve verhoudingen tussen moeders en zoons. Moeders vallen vandaag bij bosjes – letterlijk en figuurlijk, realistisch en symbolisch, hard en half. Bij dezen alvast: sorry, mam.
Ik begin mijn dag nietsvermoedend met wat na afloop mijn absolute festivalhoogtepunt zal zijn geworden: J’ai tué ma mère van de Canadese Xavier Dolan. Ik ben met name hevig geïnteresseerd in het verhaal áchter de film; Dolan speelt namelijk zelf de hoofdrol in deze film die hij ook nog eens zelf heeft geschreven en geregisseerd – en hij is pas twintig jaar oud! Kortom, iemand die nu al bereikt wat ik wil bereiken, en iemand door wie mijn “biologische filmklok” wel heel hard gaat tikken; ik heb blijkbaar nog maar een jaar om mijn film op het IFFR te krijgen…
Los daarvan is J’ai tué ma mère, of I Killed My Mother, een ijzersterke film. Het is een onthutsend oprecht portret van hoe de liefde tussen een puberende zoon en een menopauzerende moeder volledig vertroebeld en vergruisd kan raken. De film is vaak net zo grappig als ontroerend. Voor iemand van mijn leeftijd is het tevens bijzonder herkenbaar en treffend in zijn weergave van de frustraties en onzekerheden van een jongvolwassene (brrr, wat háát ik dat woord). Hulde voor Xavier Dolan voor álle facetten van zijn internationaal gelauwerde debuut.
Voordat ik aan mijn volgende film ga beginnen, waag ik mij eerst aan de maaltijdsalade van de cateringservice die sinds dit jaar epicentrum De Doelen verfraait. Ik bestel een vegetarische salade (enkel en alleen om het feit dat vegetariërs vaak lekkerder eten), en de stralende blondine vraagt: “Een beetje van alles? En zal ik veel doen?” Als IFFR-vrijwilliger is telepathie blijkbaar een vereiste. Ik beantwoord haar vraag met een brede grijns, waarop zij een aangenaam gevuld bord aanreikt en, jawel, een donkerbruin stuk brood. Ik heb mijn aanstaande bruid gevonden.
Terug naar de moeders, met een film van beroepsextremist Werner Herzog, de man die over de jaren alleen maar betere films is gaan maken (terwijl zijn Engels steeds meer richting Deutsch is gaan glijden). Deze film, met de intrigerende titel My Son, My Son, What Have Ye Done?, is de eerste van twee Herzogfilms die vandaag op mijn schema staan. My Son, My Son draait om een ietwat verknipte acteur (een schitterende Michael Shannon, bekend en voor een Oscar genomineerd als de weirdo in Revolutionary Road ) die in een Grieks toneelstuk de klassieke rol van Orestes speelt. Jawel: de Orestes die besluit zijn moeder een kopje kleiner te maken. En laat dat nu net zijn wat deze jongeman ook wil doen met zijn eigen moeder!
Shannon wordt gesteund door prachtige acteurs als Willem Dafoe, Chloë Sevigny, Udo Kier en, vooral, Grace Zabriskie (Laura Palmers moeder in Twin Peaks) als de Moeder. Alles speelt zich op bizarre wijze af onder de verschroeiende zon van een buitenwijk van San Diego. In combinatie met de producerende rol van grootmeester der waanzin David Lynch, is My Son, My Son een huiveringwekkend hilarische en beklemmend bizarre belevenis, en een absolute must-see.
Ademhalen stel ik vervolgens nog even uit voor een bijzondere kijkervaring. Ik ga nu namelijk naar Dial M for Murder. Inderdaad, van Alfred Hitchcock. En ja, uit 1954. Maar hier komt de grap: voor deze klassieker werden wij zowaar geacht heuse 3D-brillen te dragen! Oorspronkelijk was de film namelijk in dit formaat opgenomen om de verschillen tussen film en het opkomende medium televisie in de jaren vijftig te benadrukken. Dial M for Murder is een vrij toneelmatige en statische film, voortgedreven door gelaagde dialogen, waardoor het 3D-effect eigenlijk ietwat misplaatst is.
Nu is het wel hilarisch om te zien dat dit effect voortdurend bewerkstelligd wordt door altijd, maar dan ook altijd, een grote lamp voor in beeld te plaatsen… Eén bijzonder Eftelingmoment vindt plaats tijdens de nog altijd tergend spannende wurgscène, waarbij Grace Kelly’s hand vervaarlijk over de randen van het frame richting de kijker bungelt. Een spannende, sfeervolle en vooral ook heerlijk zwartkomische film. Prachtig om te merken dat dit ruim vijftig jaar na dato nog zo goed werkt; de zaal lag meermalen plat van het lachen. Goed gedaan, Hitch, ouwe moederhater.
Mijn goede humeur na deze toffe films zorgt ervoor dat zelfs mijn eenzame etentje in een Chinees-Surinaams eethuis in regenachtig Rotterdam me niet ontstemd krijgt. De Surinaamse broodjes blijken goed te verorberen, en ik waad me een weg door het kille weer (waardoor, met alle respect, een reeds charmeloze stad nóg onaantrekkelijker wordt) naar mijn laatste film, eveneens in een uitverkocht Luxortheater. Het is de tweede Herzog van vandaag: Bad Lieutenant: Port of Call – New Orleans. De film is een onofficiële sequel op Abel Ferrara’s cultklassieker Bad Lieutenant (1992) met Harvey Keitel als corrupte agent, voor wie het wetboekje slechts een onhandig stuk papier is.
Die rol wordt ditmaal op werkelijk onvergetelijke wijze vertolkt door Nicholas Cage, een acteur wiens permanent gepijnigde tronie en vaak foeilelijke haardos hem een plek op mijn haatlijstje hebben opgeleverd. Niettemin moet ik schoorvoetend toegeven: hij was weergaloos, net als de setting (New Orleans, vlak na orkaan Katrina), de verrukkelijke dialogen, en de typische Herzogmomenten (zoals een drugstrip met lachende, knipogende leguanen – je moet het zien om het te geloven!). Een groot succes in de zaal, en voor mij een perfecte afsluiter van het festival.
Want dat was het IFFR 2010 vooral: bizar. De films waren dit jaar voor mijn gevoel niet alleen veel slechter, maar vaak ook juist veel beter. In tegenstelling tot de deprimerende middelmatigheid van vorig jaar, werd ik dit jaar goed onthutst en ontroerd door bepaalde meesterwerkjes, en ben ik voor het eerst in mijn leven zelfs halverwege een film weggelopen. De uitersten lagen wat verder uiteen, maar dat heeft het er alleen maar interessanter op gemaakt. En dat was het publiek blijkbaar met me eens; van zogenaamde “teruglopende bezoekersaantallen” heb ik, getuige de voortdurende uitverkochte zalen, totaal niets gemerkt. Tot volgend jaar!


















Hopen dan maar dat iemand J’ai tue ma mere heeft aangekocht…
Er is een tijd geleden al een vroege persvoorstelling geweest, dus ik neem aan van wel.
De film gaat dan ook 25 februari in première (nou ja première). Het is dan wel weer de vraag in hoeveel zalen de film gaat draaien.
Ik gok een halve. Of met een beetje geluk misschien wel één.