Het gebeurt niet vaak (of eigenlijk nooit) dat een relatief onbekende acteur een autobiografie mag schrijven. Relatief, omdat in dit geval de acteur in kwestie dan wel niet bekend is bij het grote publiek, hij onder filmfreaks een cultfiguur is. De gemiddelde kijker zal Bruce Campbell wel niet zo snel kunnen plaatsen, maar er bestaat een enorme groep fanatieke fans die hem al sinds zijn eerste films op de voet volgen. Zijn cultstatus is zelfs zo groot geworden dat over zijn volgende projecten op de grotere filmsites op internet vaak meer wordt gespeculeerd dan over welke andere acteur dan ook. Niettemin bestaat zijn oeuvre tot op heden met name uit B-films, waaronder veel horror.
Godzijdank is zijn autobiografie niet slechts gemaakt om de honger van deze massa te stillen (hoewel het hoogst waarschijnlijk wel de reden is geweest dat het boek überhaupt geschreven kon worden). Natuurlijk is een groot gedeelte gewijd aan de moeizame opnames van zijn succesvolle debuut The Evil Dead (1982), dat niet alleen een doorbraak voor Campbell betekende, maar ook voor diens vriend regisseur Sam Raimi (Dark Man, A Simple Plan en volgend jaar Spider-Man ). Samen met zijn twee vervolgen zorgde The Evil Dead ervoor dat Bruce Campbell voorgoed een lieveling werd van een massa wereldwijde filmliefhebbers: de drie films werden klassiekers binnen het horrorgenre. Niet alleen acteerde Campbell in de films, ook produceerde hij ze. Voor deel drie, Army Of Darkness, deed hij zelfs de montage. Grote delen van het boek kunnen eigenlijk best worden gezien als biografie van Sam Raimi, die Campbell meerdere malen ‘bane of my existence’ noemt.
Campbell’s boek beschrijft niet alleen de films waar hij zijn status als cultheld aan te danken heeft en is, in die zin, dus niet puur gericht op zijn trouwe aanhangers. Zo werpen de verhalen van de knutselfilmpjes die Campbell, Raimi en hun vrienden maakten in de jaren vóór The Evil Dead, een hilarische blik op de wereld van startende filmmakers. Waar haal je geld vandaan, hoe promoot je je gebrekkig gemonteerde en geacteerde filmpjes op je school en ga zo maar door. Na een mislukte poging om door te breken tot de status van échte ster door bijna de hoofdrol te grijpen in de verfilming van de comic The Phantom (die overigens later enorm flopte met Billy Zane in de hoofdrol), en de hoofdrol te krijgen in een tv-serie die na één seizoen van de buis werd gehaald (The Adventures Of Brisco County Jr.), ontdekt Campbell dat zijn status als B-filmacteur een blijvende zal zijn. Dit vind hij echter niet erg. Het grotere samenwerkingsverband tussen cast en crew bij de vele B-films en -series waarin Campbell speelde is volgens hem één van de belangrijkste aspecten van het plezier dat hij in werk vindt. Het zogenaamde method-acting van zoveel bekende acteurs neemt hij overigens niet serieus; ‘an actor is lucky enough to know what scene is being shot’.
De beste keuze die Campbell maakt is het laten ontbreken van verhalen over dure feestjes en ontmoetingen met grote sterren. ‘I’ve always been more interested in the working stiffs of Hollywood, ninety-nine percent of whom are overlooked in those phony, “tell all” books’. En dit is wat If Chins Could Kill telkens op een bijzonder droogkomische toon laat zien: het leven van vrijwel elke medewerker aan een film- of televisieproductie, de achterkant van Hollywood dus. Het boek is een ode aan diegene die de Amerikaanse filmindustrie daadwerkelijk draaiende houden. ‘And I cheerfully include myself a lot…’
















