Veel films van het competitieprogramma van dit jaar zijn goed tot zeer goed te noemen. Vooraf is het voor zowel pers als de festivaldirectie moeilijk inschattingen te maken van de bedoelingen en kwaliteit van de films, omdat deze vaak pas in Berlijn in première gaan. Sommige films zijn bij pas net een paar dagen af, en sommige regisseurs zien hun film in Berlijn pas voor het eerst op een groot scherm. Toch is het niveau van de films dit jaar hoog te noemen. Er zijn echter weinig echte uitspringers naar boven, maar naar beneden helaas wel.
Opvallend is The Walker van Paul Schrader, die tevens voorzitter is van de jury van dit jaar. De film wordt daarom buiten competitie vertoond, maar zelfs als de film wel om de prijzen had meegedaan is de kans klein dat The Walker iets gewonnen zou hebben. De film is goed gemaakt volgens bekend recept, maar kabbelt bijna twee uur voort zonder spannend of meeslepend te worden. Dat een zaal vol perslieden weinig goede woorden over heeft voor een dergelijke film is erg, maar dat is in ieder geval niet zo pijnlijk als bij Bordertown, waar tijdens de persvoorstelling de film enkele malen luid werd uitgelachen. In deze film wordt door journaliste Jennifer Lopez een serie moorden in het Mexicaanse Juarez aan de kaak gesteld. Gebaseerd op waargebeurde verhalen moet de film een aanklacht zijn tegen de vele fabrieken die aan de grens met de Verenigde Staten zijn, waarin jonge vrouwen voor een hongerloon televisies en computers in elkaar zetten. Er is een enorm Amnesty International plakaat op de film geplakt, maar het acteerwerk van Lopez en het slechte en kinderlijke script zorgen ervoor dat de film te het goede ideaal weinig kracht bij zet.
Derde tegenvaller is When a Man Falls in the Forest, waarvoor duidelijk alleen geld bij elkaar is gekregen omdat actrice en producente van de film Sharon Stone er iets in gezien heeft. Hierdoor valt eens te meer op dat een grote naam niet gegarandeerd goede cinema opleverd. Wel goede films zijn er uit bijvoorbeeld Brazilië (O Ano em que Meus Pais Saíram de Férias), Mongolië (Tuyz de hun shi) en Israël (Beaufort). Allen films die met een relatief kleine budget gemaakt zijn, maar in hun eenvoud simpelweg aangrijpend of ontroerend zijn. De favorieten in de media zijn vooralsnog het Duitse Die Fälscher, het typisch Engelse Irina Palm met Marianna Faithfull en Hallam Foe met een uitmuntende Jamie Bell. Zaterdagavond zullen de winnaars van de verschillende Beren bekend gemaakt worden en weten we of de jury het met het merendeel van de pers eens is.
Niet in het competitieprogramma, maar wel in Europese première in Berlijn is Interview , een remake van de film van Theo van Gogh. De producenten hebben één van de nog openstaande ideeën van Van Gogh overgenomen en zullen zodoende drie Engelstalige remakes van zijn films maken. Interview is hierin het eerste deel, waarbij Steve Buscemi zowel de regie als de mannelijke hoofdrol voor zijn rekening neemt. Zijn tegenspeelster is Sienna Miller, die de rol van Katja speelt. De film volgt in grote lijnen het origineel, waarbij opvalt dat Miller soms trekjes van Katja Schuurman overgenomen lijkt te hebben. De film heeft slechts kleine veranderingen ten aanzien van het origineel doorgevoerd, waardoor de film een wat internationalere uitstraling heeft gekregen. Het appartement van Katja en haar sterallures zijn net iets groter, maar voor de rest zijn er vooral veel overeenkomsten te vinden. Het is moeilijk te zeggen of deze film beter of slechter is dan het origineel, omdat het spannende effect natuurlijk niet aanwezig is voor wie de versie van Van Gogh al kent. Het aanwezige publiek reageerde in ieder geval uiterst positief.
















